portret

nooit verwekte ik een kind
mij zo dierbaar als mijn eigen

een geestverwant

ik beschreef haar ooit in een gedicht
de vinger tipte toen nog wat voorzichtig
het eigenwijze meisje aan

gisteren streek ik haar langs het gezicht
kwam zij tot leven, als vanzelf
door de lijnen van mijn hand

canto ostinato

de eerste toon wordt al gezet
voor de gordijnen opengaan
heel langzaam komt er leven in beweging in
geluid
 
de kraam, de santenkraam, het hele circus 
breidt zich uit, borduurt
maar door en alsmaar door op thema’s
die zich gaandeweg weer kruisen, keer op keer

weer kruisen met geloof en
liefde ook wellicht
met hoop

     

 

   

la caries profunda 

dit gedicht wijd ik aan jou, alleen
opdat de hele wereld weet
hoe jij mij pluimen stak en teer met veren smeet 
er schaduw in jouw lach verscheen 

voor jij straks in mijn voetspoor treedt 
terwijl jij mij dacht voor te gaan
zul je denken, o mijn god en aan
dat ik jou nooit hoogmoed verweet

en als ik dan verschijn in het heelal
met al het duister om mij heen, als jij
wellicht als jij, in elk geval 

geeft het me ruimte dat ik vrij
als ster daar eeuwig stralen zal
met ieders oog gericht op mij 

Salvador

God ziet met argusogen, soms
knijpt Hij er eentje toe, dan weer
zijn het de vingers die het zien
door eigen hand bepalen of

bespiedt Hij ons, neemt waar. Hij laat
hoe wij als mieren vleugels meten
de horizon verschuiven, al lopend
naar de maan, Hij laat ons maar

in die waan, ben ik Zijn zoon

 

   

 

 

   

een blik vol onschuld

ze oogt onschuldig in de zon, ofschoon ze het net ongehoord heeft bontgemaakt
haar zwarte vacht toont in dit licht een rode gloed
zij houdt het groen, dat haar laat zien
dat alles van haar is, verborgen
wendt het oor naar waar ik ga, wanneer ik richting keuken loop
blijft ze muisstil liggen hoewel ze loert

de leunstoel dat is haar domein
net als de vensterbank, de boekenplank, het aanrecht
niet, als ik er ben, dan zie ik pootjes op het blad, ook mis ik iets
hoef ik geen visje uit te gooien
komt ze aangerend met dat ene teentje wit, spint ze onnozel om mijn kuit
geeft ze al haar kopjes aan de lege schotel en aan mij
vraagt ze wat
sardientjes te bevrijden

de vismarkt


er hangt geen vis meer in de lucht
eentje aan de staart is hier te langgeleden
wel zie je, als je heel goed kijkt, de visgraat in de straat terug
de korte gracht, een kleine brug naar het lijnenspel in compositie 10 

geïnspireerd op zee, zegt men. wie weet op golfbrekers
maar wat er in het hoofd van Mondriaan is omgegaan 
kom je wellicht te weten met je neus tegen het schilderij
dan zou je kunnen ruiken, hoe hij het werkelijk heeft gezien

   

 

 

   

ondertoon

het ligt weer in de dag verborgen
het hangt verduisterd in mijn hoofd. gordijnen
dicht is er gezegd, niet kijken naar verademing
of naar het weidse zicht
alleen maar buigen of bezwijken

als klaprozen langs spoor en dijk
het openveld, ik zie het wel maar voel ze niet, laat staan
dat ik ze hoor, de zwarte harten
dragen zij met ranke steel en ik

ik kan mijn wil niet tillen, hang zwaarder aan het einde
dan ik hechten kan aan leven
spreek mijzelf in alles tegen. luisteren
gaat slecht vandaag
verzwijgt de dag een lied voor mij

de paardenslager en het meisje

hij neemt het heft, het hoeft van hem niet zonodig
ebbenzwart te zijn, wanneer het stevig in de hand
de heftig dikke vingers ligt

hij geeft een hengst, een klap, slaat met z’n hiep een homp
van de reeds hoofdeloze romp. niks bot, hij hakt. waanzinnig
hoe vlijmend staal zich zet
in zeen. hij heeft z’n mes
wat aangezet, ontleedt het kreng
fileert het ongevoelig vlees en snijdt het
loodrecht op de draad, tegen dood of sterven in
 
hortsik

menig meisje met een staart draagt een pony in haar hart
een beugeltje als bit, haar kommer
kan hem daadwerkelijk niet deren

onomwonden legt hij bloot wat obsceen verscholen gaat
onder edel zitvlees van zo velen

   

 

 

   

zonnekind

zie haar dansen in de zon
kijk de zon danst in haar haar
ach wat mooi, hoe stralend
dansend met elkaar

in de herfst, met de herfst
in en met de gouden bla’ren van de herfst
terwijl zij nog maar lente is

geboren in de zomer

het eeuwige zilte

opeens lag daar een tong
in lengte voor m’n voeten. zo plotseling
zo plots opeens

ik was nogal verbaasd
hoe sprekend hij de belofte leek
waarvan hij had gesproken
fluisterend vanuit z’n schulp
die ik aan m’n oorschelp hield
ten tijde dat ik over niks, dan enkel water keek

ik span je een verhemelte
waar meeuwen eeuwig minnen
ik zwem je naar de mondhoek van de stilste oceaan

 

ik bukte, kuste, zei hem zacht:
ik hou van jou
het was er uit voor ik het wist

hij pakte mij de kaaklijn vast en
likte zich het zoute van mijn lippen
zei: heb je me gemist
ik brak in snikken uit

   

 

 

   

in de geest van Primitivo

ik ben nog niet aan sterven toe, maar ‘t kan niet langer wachten
dit lichaam is te moe te sleets en mijn gedachten dwalen af
voorbij de ogen van het leven

het lukt me niet alleen te zijn, los te komen van de tijd
omdat er telkens iemand is die naar me kijkt vanuit een stoel of dichterbij
over het bed gebogen

ik weet niets meer van wat ik voel, zo neem ik waar
dat ze me wassen
de buik, de onderbuik. de schaamstreek ben ik al voorbij

ik ben al verder dan men denkt, veel losser van dit stijve lijf
bij tijd en wijl laat ik mezelf
verlaat ik zelfs mezelf tot halverwege zeker weten

i.m. Primitivo

Hades

langs de oever van de Styx waar eens het riet te wuiven stond
naar de doden die passeerden
ligt de veerman, die het loon te gretig uit hun monden nam
zelf, in weer en wind, weer naar het volle leven keerde
nu verdronken of verzopen

de tijd van Hades is voorbij
zo zeggen wij en zegt het riet ons
nu vaarwel, als handgevlochten kisten
waarin geliefden, gehuld in waden
met bloemmotief of zachte kleuren, om de dood
wat op te fleuren
eeuwig rusten

het is zo anders vandaag de dag, lijkt het
verdriet lichter te dragen
met al wat kan
en kruik of urn is
misschien, weten we beter dan we wisten
de mens zal altijd blijven hopen
op immer weerzien

   

 

 

   

kombofje

in het tuinhuis waar wij onze lippen kruisen 
zucht jij zacht, zo ik me voel 
je been over het mijne heen, het mijne over het jouwe 

we schuiven langzaam heen en weer 
en op en neer 
en weer en weer totdat we komen
op het punt 
dat dwergen zich tot smurfen kleuren, zachtjes gaan miauwen

dan keert je mond zich tot m'n lippen 
streel jij zacht m'n binnenwand
er wordt zoveel gewekt daarbij 
waarvan ik nooit had durven dromen
ik bof maar weer wanneer jij beft 
je tong verliest in mij

goocheldoos

al hangen beide schouders af 
wordt het haar hem dunner
als de tijd
is er niemand die ziet 
dat het komen niet meer gaat

z'n vrouw die hoor je niet
hangt zich vaker, meer bezadigd om z'n hals
of legt haar iet wat uitgezakte lichaam naast het zijne
pakt voor het slapengaan zijn hand

streelt zijn vingers langs haar poes
en droomt hem af 
en toe van toen
hij nog wel eens wat goochelde 
hopend op een harde in de broek
en hoe zij hem tevoorschijn 
toverde, hem haar lipstick aan de eikelrand 

   

 

 

in vredesnaam

ik voel me frank en vrij. als de zon
of de zijne verreist
hangt m’n kruis al een tijd aan de wilg
die, zo wolken verschuiven
met z’n tenen de hemel aanwijst

zo vrij als de vijg die z’n blad zonder schaamte
laat vallen, geef ik mij bloot op papier. in woord
en in daad scheur ik alle psalmen aan flarden
voer ze de duiven

jaap

levensmoe zet hij
zijn naam in beide polsen
gapend bloedt hij dood

     

 

   

de wind

of er een treurwilg mij omarmt, hangend over het marmer heen
waarin de naam is uitgehouwen, van de liefste onder vrouwen
die liefste vrouw liet mij voor immer
met de wind, de wind alleen

bij haar laatste rustverblijf is het zo vreemd, dat ik deels verstijf
wanneer ik denk hoe zij daar ligt, alleen in doorschijn nachtjapon 
haar ogen voor het leven dicht, een zachte lach op haar gezicht
ik wou dat ik haar wekken kon

opeens is het alsof ik hoor, dat wat zij mij nog zeggen wil
de wind vertaalt het in mijn oor
hoe kom je nu aan je gerief
ik ben zo eenzaam, smacht naar jou
voor immermeer ben ik jouw vrouw

zo raar dat zij als dode spreekt, of is het toch een raaf of wat
die rits’lend door de takken breekt, geen meelij toont aan mijn trieste hart
die mij mijn hoofd zo zeer verwart
het is de wind, niet meer dan dat 

is het de wind, niet meer dan dat 
of iets dat rond de graven hangt, iets dat gedijt in hartezeer
toch klinkt haar stem en immermeer zegt ze mij,
dat zij zozeer naar mij verlangt
niet naar de wind, veel meer dan dat

ik kniel nu bij haar grafsteen neer, maar nee, haar stem weerklinkt niet meer
alsof het door de nacht verstomd die over alle graven valt
ik tril, ik beef en spits mijn oor, zodat ik als de eerste hoor
wanneer er iemand nader komt
tussen de beukenhagen door

het is al laat de maan verlicht het lichten van de steen
een stem in mij die heeft beslist
ik graaf me door de aarde heen
m’n blik alleen op haar gericht

het is de wind, niet meer dan dat 
nee toch haar stem en immermeer
nee, immer weer de wind en wat ik weet
dat zij verlangend mij verwacht
en met de minste brute kracht schuif ik het deksel van de kist

daar ligt zij dan, wit als ivoor
het lijkt wel of zij wenkt naar mij
ik vlij mij zacht tegen haar aan en hoor wat zij mij vroeger zei
bemin mij als de wind en immermeer als nooit te voor
ik streel haar haar en kus haar mond
bestier haar tot de morgenstond

het is de wind, niet meer dan dat 
en immermeer de stem, de ziel van mijn kwellende gedachten
‘k had niet verwacht, maar wel gehoopt dat het doodskleed op mij viel
er is niets liever dat ik wil
niets anders kan mijn leed verzachten

immer weer is er de wind 
de stem en immermeer niets meer 
dan enkel wind