status quo

 

m’n hoofd is veel te klein 
voor alle informatie
die druppelend of in overvloed de bovenkamer binnenkomt
het wurgt mijn gevoel, ontmoedigt het gemoed

behoedzaam schuif ik angst opzij
neem ik afstand, van teveel
en leg ik mijn gedachten uit, voor een beter overzicht
schik kleur op kleur opzoek naar een patroon
maar eerst de stukjes van de rand, als kader 
gewoon, zodat ik weet waar ik binnen blijven moet

en weer komt er een stroom van informatie 
weer ik weer de gekte van mijn deur
bescherm wat me lief is 
bij wie me dierbaar is, kom ik niet 
te dicht

uit de losse pols

 

zo de goudsmid zich omringt met zilver en met goud
en een keuze maken zal voor elk sieraad dat hij smeedt
loop ik cirkels in gedachten rond gevoel en wat ik weet
dat het smachten naar jouw lichaam mij de nachten wakker houdt

de schilder kleedt zijn naakten met een dunne laag vernis
de dichter streelt z’n tong zowaar langs passionele zinnen
niet dat je alles wat je lief is naar de letter kunt beminnen
evenzeer is het verlangen een wezenlijk gemis

terwijl de dichter zich de beelden droomt voor weer een snelsonnet
graveert de goudsmid vele namen aan de binnenkant van trouw
zijn eigen naam vind je daar niet, die is geslepen in facet

de schilder heeft zijn naam al onder het portret gezet
kijkt met een half oog nog even naar de poedelnaakte vrouw
Ik kan niet slapen, lig jou weer te fantaseren in m’n bed

   

 

 

   

eer ik kan, wat eric kan 

 

hij pakt picasso bij de hals 
haalt flamenco uit de buik
rond het gat waar een navel had kunnen zitten
is het fineer zorgvuldig ingeknipt
geïnspireerd op werk van de meester  

dat een blik als klankgat dient 
voor een compositie, vanuit elke hoek belicht 
en dat muziek je die laat zien

doet wel heel kubistisch aan
te weten, dat hijzelf meestal speelt met ogen dicht
om het van een andere kant te laten horen 

entre dos aguas

 

in knoflookolie buigt garnaal nog verder in vertrouwde bocht
kleurt zichzelf en met saffraan de rijst
de paella

in flamenco wint de snaar zout uit elke noot 
daar de nagel honderd plectrums snel 
nooit roest, de Lucía 

Camarón zingt
als water
drijft mijn gedachte terzijde
gelijk een rivier, die zich over de gehele lengte breder maakt
z’n oever verlegt, hoger aan de bergwand

waarin forel met alle kracht stroomopwaarts danst
laat ik me gaan met heel mezelf
voorbij het water in de mond

   

 

 

   

portret

 

nooit verwekte ik een kind
mij zo dierbaar als mijn eigen

een geestverwant

ik beschreef haar ooit in een gedicht
de vinger tipte toen nog wat voorzichtig
het eigenwijze meisje aan

gisteren streek ik haar langs het gezicht
kwam zij tot leven, als vanzelf
door de lijnen van mijn hand

Salvador



God ziet met argusogen, soms
knijpt Hij er eentje toe, dan weer
zijn het de vingers die het zien
door eigen hand bepalen of

bespiedt Hij ons, neemt waar. Hij laat
hoe wij als mieren vleugels meten
de horizon verschuiven, al lopend
naar de maan, Hij laat ons maar

in die waan, ben ik Zijn zoon

   

 

 

   

lichtval

 

ik ben schrijver geen gedicht, waarom zou ik rijmen 
met wat jij van mij verwacht 
waarom moet de avond zwoel en de nacht
een hemel vol van sterren zijn, waaronder wij
in volle maan op een bankje zitten
gaan in de vroege ochtendzon

waarom zou het anders lopen, dan ik had voorgesteld
zodat ik weer de hand leg aan mezelf en toch weer niet
of toch, aan jou
omdat ik in mijn hoofd geweld en blinde vlekken zie
geen ruimte is voor vrouw en deze nacht
veel zwarter blijkt dan ik me ooit bedenken kon

vogelvrij 

 

ik heb de dood gezien
op het kruispunt van respect
waar haat verwekt
affectie zal verbleken
er is geen oog zo blind
geen oor zo doof
dat dat niet waar zal nemen
geen tong te stom om niet te willen spreken

er blijft een stem in mij die zich wil laten gelden
die als een vogel vrij de vleugels spreidt in elke taal

het vrije woord kent geen grens en telt maar weinig helden
ook ik laat vaak de hand op eigen mond om niet te schelden
niet te schreeuwen

om niet te zwijgen
spreek ik tussen vingers door

   

 

 

   

gier

 

 
hoog boven me vliegt een gier of zeven, denk ik
niet dat zij mij zien
zitten lezen in de zon, de  boekenlegger
opzij gelegd voor
later

heb ik hem nodig
om aan te geven waar ik gebleven ben
een ezelsoor
kan ook, maar zo ga ik niet met boeken om

ik laat mijn vinger aan het woord wanneer ik opkijk
cirkelen ze rond en rond, vraag ik me af
of dat geen bidden is
om kadaver

ik acht mij veilig hier, zolang ik ademhaal zolang
kan ik hen wel vertrouwen

niks nieuws onder de zon

 

er hangen gieren in de lucht, te hoog om goed te observeren
toch kun je aan de vleugels zien dat zij het zijn
de punten van de veren als vingers wijd gespreid 
als speelden zij klavier

ze vliegen en fladderen niet
ze zweven op thermiek
een hele kunst voor zo’n groot dier, zo hoog
te draaien met de wind mee met de wijzers van de klok
worden de cirkels groter 
al zoekend naar kadavers en lijken
de dood niet te vergeten

heel anders dan de adelaar bidden ze niet voor eten
vallen niet van grote hoogte
argeloze levens aan 
een gier doet zo iets niet
hij wacht zijn kans schoon tot het aas
hem ergens aan de voeten ligt
het zou mij zeer verbazen als hij deed wat hij niet doet

 

   

 

 

   

la caries profunda 

 

dit gedicht wijd ik aan jou, alleen
opdat de hele wereld weet
hoe jij mij pluimen stak en teer met veren smeet 
er schaduw in jouw lach verscheen 

voor jij straks in mijn voetspoor treedt 
terwijl jij mij dacht voor te gaan
zul je denken, o mijn god en aan
dat ik jou nooit hoogmoed verweet

en als ik dan verschijn in het heelal
met al het duister om mij heen, als jij
wellicht als jij, in elk geval 

geeft het me ruimte dat ik vrij
als ster daar eeuwig stralen zal
met ieders oog gericht op mij 

gaandeweg
 

het is alsof er niks verandert
hij geen vin verroert, alleen maar ligt te liggen
aan het strand, hoopt schuim door wind geblazen zich op
een bries, een ruk laat het met vlagen en met zand aan mijn been
of gaan langs zij

ook hij gaat, alleen 
dan weg van mij, maar komt steeds weer
als adem alsmaar weer, steeds in beweging

ik ben tot rust tot hier gekomen
via het uitgestorven duin
waar karkassen van konijn een eigen geur verspreiden
je moet er even door, men zegt een mens moet verder. als ik kon
zou ik graven voor ze graven
maar het zijn er en het is me wat te veel

we zijn tot hier tot rust gekomen
niemand maant ons nog tot slaap
zo nachtwolken de hemel, vinden wij gaandeweg de weg
wij gaan, het drooggevallen wad waar ik niks te zoeken heb
en toch mijn voeten zet
een mens moet verder, ook al weet hij dat met de jaren
bijna alles richting oost verschuift

dit eiland niet omdat het niet
kan wandelen, als wij
zo zie ik even om naar waar de bomen wuiven
naar elk huisje, dat van Wolkers was
wit is mij verteld

   

 

 

   

canto ostinato

 

de eerste toon wordt al gezet
voor de gordijnen opengaan
heel langzaam komt er leven in beweging in
geluid
 
de kraam, de santenkraam, het hele circus 
breidt zich uit, borduurt
maar door en alsmaar door op thema’s
die zich gaandeweg weer kruisen, keer op keer

weer kruisen met geloof en
liefde ook wellicht
met hoop

de vismarkt



er hangt geen vis meer in de lucht
eentje aan de staart is hier te langgeleden
wel zie je, als je heel goed kijkt, de visgraat in de straat terug
de korte gracht, een kleine brug naar het lijnenspel in compositie 10 

geïnspireerd op zee, zegt men. wie weet op golfbrekers
maar wat er in het hoofd van Mondriaan is omgegaan 
kom je wellicht te weten met je neus tegen het schilderij
dan zou je kunnen ruiken, hoe hij het werkelijk heeft gezien

   

 

 

het eeuwige zilte

 

opeens lag daar een tong
in lengte voor m’n voeten. zo plotseling
zo plots opeens

ik was nogal verbaasd
hoe sprekend hij de belofte leek
waarvan hij had gesproken
fluisterend vanuit z’n schulp
die ik aan m’n oorschelp hield
ten tijde dat ik over niks, dan enkel water keek

ik span je een verhemelte
waar meeuwen eeuwig minnen
ik zwem je naar de mondhoek van de stilste oceaan

 

ik bukte, kuste, zei hem zacht:
ik hou van jou
het was er uit voor ik het wist

hij pakte mij de kaaklijn vast en
likte zich het zoute van mijn lippen
zei: heb je me gemist
ik brak in snikken uit

in de geest van Primitivo

 

ik ben nog niet aan sterven toe, maar ‘t kan niet langer wachten
dit lichaam is te moe te sleets en mijn gedachten dwalen af
voorbij de ogen van het leven

het lukt me niet alleen te zijn, los te komen van de tijd
omdat er telkens iemand is die naar me kijkt vanuit een stoel of dichterbij
over het bed gebogen

ik weet niets meer van wat ik voel, zo neem ik waar
dat ze me wassen
de buik, de onderbuik. de schaamstreek ben ik al voorbij

ik ben al verder dan men denkt, veel losser van dit stijve lijf
bij tijd en wijl laat ik mezelf
verlaat ik zelfs mezelf tot halverwege zeker weten

i.m. Primitivo

     

 

   

de wind

 

of er een treurwilg mij omarmt, hangend over het marmer heen
waarin de naam is uitgehouwen, van de liefste onder vrouwen
die liefste vrouw liet mij voor immer
met de wind, de wind alleen

bij haar laatste rustverblijf is het zo vreemd, dat ik deels verstijf
wanneer ik denk hoe zij daar ligt, alleen in doorschijn nachtjapon 
haar ogen voor het leven dicht, een zachte lach op haar gezicht
ik wou dat ik haar wekken kon

opeens is het alsof ik hoor, dat wat zij mij nog zeggen wil
de wind vertaalt het in mijn oor
hoe kom je nu aan je gerief
ik ben zo eenzaam, smacht naar jou
voor immermeer ben ik jouw vrouw

zo raar dat zij als dode spreekt, of is het toch een raaf of wat
die rits’lend door de takken breekt, geen meelij toont aan mijn trieste hart
die mij mijn hoofd zo zeer verwart
het is de wind, niet meer dan dat 

is het de wind, niet meer dan dat 
of iets dat rond de graven hangt, iets dat gedijt in hartezeer
toch klinkt haar stem en immermeer zegt ze mij,
dat zij zozeer naar mij verlangt
niet naar de wind, veel meer dan dat

ik kniel nu bij haar grafsteen neer, maar nee, haar stem weerklinkt niet meer
alsof het door de nacht verstomd die over alle graven valt
ik tril, ik beef en spits mijn oor, zodat ik als de eerste hoor
wanneer er iemand nader komt
tussen de beukenhagen door

het is al laat de maan verlicht het lichten van de steen
een stem in mij die heeft beslist
ik graaf me door de aarde heen
m’n blik alleen op haar gericht

het is de wind, niet meer dan dat 
nee toch haar stem en immermeer
nee, immer weer de wind en wat ik weet
dat zij verlangend mij verwacht
en met de minste brute kracht schuif ik het deksel van de kist

daar ligt zij dan, wit als ivoor
het lijkt wel of zij wenkt naar mij
ik vlij mij zacht tegen haar aan en hoor wat zij mij vroeger zei
bemin mij als de wind en immermeer als nooit te voor
ik streel haar haar en kus haar mond
bestier haar tot de morgenstond

het is de wind, niet meer dan dat 
en immermeer de stem, de ziel van mijn kwellende gedachten
‘k had niet verwacht, maar wel gehoopt dat het doodskleed op mij viel
er is niets liever dat ik wil
niets anders kan mijn leed verzachten

immer weer is er de wind 
de stem en immermeer niets meer 
dan enkel wind